maandag 14 januari 2013

Beeldpraat 12. Maria Thijssen over Hoog gebergte


Life is a journey, zei Keats geloof ik, of Yeats, daar wil ik van afwezen. Terwijl je onderweg bent sta je hier meestal niet zo bij stil. Aan het einde weet je pas dat je een reis hebt gemaakt. Dan zwijg je, adem je, en ben je je bewust van het heelal, de draaiende aarde, de tijd. Alsof de knip van de engel ineens ongedaan wordt gemaakt en je ineens alles weer ziet en weet.

Niet dat ik dit uit ervaring vertel, ik weet het uit de literatuur. En ik stel het me zo voor. Soms kom je bij toeval op een plaats waar het plafond van je schedel een stukje omhoog gaat, zodat je je ineens van alles gaat voorstellen. Inspiratie, noemen ze dat.

We komen uit een dicht en donker bos. We klimmen. In de buurt van de boomgrens wordt de lucht steeds ijler. Dan staan we bovenaan een bergpas en kijken er overheen. Een doodstil landschap, twee bergtoppen priemen de lucht in, als de borsten van een geharnaste godin.
We hebben over uitgestrekte vlaktes gelopen, door dorpen waar de hitte de mensen binnen hield, langs de zee, langs machtige fjorden, we hebben de zon op zien komen en onder zien gaan en de kleuren van de nacht gezien. Het hoofd altijd vol van het landschap wijd en zijd.

Nu is er ruimte. Een diep en eeuwig blauw. Er is maar weinig leven op deze plaats en toch is het leven nergens zo indringend prachtig. Hoger kunnen we niet komen, op onze vermoeide benen. Het is het einde van de reis.

Maria Thijssen is dirigent, pianist en schrijver.

vrijdag 14 december 2012

Beeldpraat 11. Marja Driessens-Diessel over Niet Onmogelijk


'Het is een woestijn.'
'Nee joh, dat kan niet, hij schildert in Noorwegen.'
'Het is een woestij-hijn!'
'Kan niet, er staat een kapitein in en boten komen niet in een woestijn.'
'Nou, wat is het dan volgens jou wel?'

Dit gesprek komt steeds terug als ik dit schilderij zie. Je denkt dat je weet wat je ziet. De gestructureerde pragmaticus wil weten wat ze ziet. En gaat het gesprek dus aanvullen. Ziet er dan maar een Noors nachtelijk landschap bij volle maan in. Zonder sterrenhemel, met een volstrekt vlakke vallei? Kan ook niet. Zeker niet met die kapitein, zeker niet met dit perspectief.

Kortom: het blijft wringen, iets dat bijzonder irritant is maar ook erg nieuwsgierig maakt. Wat wil ik er mee, wat bedoelt de schilder ermee? Waarom allerlei herkenbare elementen zodanig samengevoegd dat je de weg kwijt raakt?
Maar waarom zou je überhaupt een weg willen volgen? Het betekent alleen maar hoe star je zelf in je beleving zit.

Maar ja, dan toch de titel, 'Niet Onmogelijk'. Alles in je schreeuwt dat het Wél Onmogelijk is wat je ziet. Dus je wilt uitleg maar die krijg je niet. Want je mag het zelf ontdekken. Je mag jezelf ontdekken.

Mijn zoektocht duurt nu al drie jaar.

Marja is fotograaf, woont in het weidse Friesland maar komt altijd 'thuis' in Noorwegen.

donderdag 15 november 2012

Beeldpraat 10. Tim Heemskerk over Gesteldheid


Het is zaterdagochtend en de man zit in zijn tuin een kopje thee te drinken. Terwijl hij dat doet kijkt hij naar de vogels en de prachtige planten en bomen in zijn tuin. Ook het huis is totaal niet verkeerd. Een losstaand, niet al te groot huisje. Op tien minuutjes lopen van de eerstvolgende supermarkt en het dorpje. Dit is echt waar hij heel zijn leven op gehoopt heeft. Zijn droom is uitgekomen: een prachtig huis en een vrouw van zijn dromen.
Hij hoort gestommel op de trap en even later is zijn vrouw beneden. De man lacht naar haar, maar de vrouw begint gelijk te praten: “Ik vind het toch echt niks hoor, dit huis”.
“Maar waarom dan niet schat?’
“Ik weet het niet, het is zo… zo…?”
“Maar we hebben het pas drie weken, misschien moet je gewoon nog even wennen”.
“Nee, ik weet het zeker, ik wil hier echt weg. Al dat groen overal en nergens in de buurt een stad ofzo”.
De man zucht, er is toch een dorp in de buurt. “Maar toen we het kochten was je het helemaal eens”.
“Ja maar nu gewoon niet meer. En ook met je nieuwe baan, ik vind het allemaal niks”.
De man wordt nu geïrriteerd. Wat heeft mijn baan hier nou weer mee te maken? denkt hij.
“Al dat gezeur met jou ook altijd, het vorige huis was ook al niet goed en nu weer niet?”
De vrouw smijt de krant op de keukentafel. “O ja, nu zeur ik weer hè. Nou mij zie je hier niet meer. Ik vertrek naar een hotel in de stad en als je je bedenkt, kom je maar naar me toe!”
Ze loopt driftig de kamer uit en stampt de trap op. Vijf minuten later komt ze beneden met een grote weekendtas, gaat naar buiten, start de auto en rijdt weg.

De man rent naar buiten en ziet de auto nog net de hoek om gaan. Hij houdt echt zielsveel van haar, maar hij wil hier niet weg van zijn huis, zijn baan, zijn vrienden. Hij zucht. Die keuzes ook altijd.

Tim Heemskerk is leerling van het Mendelcollege te Haarlem. Hij zit in de tweede klas van het Atheneum.

zondag 14 oktober 2012

Beeldpraat 9. Jessie Ehlhart over Hoezeer ook...


Ode aan de Kunst

Hoog boven de stad zit ik hier en ik kijk uit. Ik zie puntdaken, blokkendozen en torenspitsen, maar ook het rijke, warme nazomerpalet aan groentinten in de toefjes boomkruin. De sprankelende helderheid van lijnen en het grote violet-blauwe zwerk, de zon zojuist achter de horizon verdwenen.
Ik kan haast de knapperige frisheid van de lucht voelen.
Het herinnert me aan Paul Dikkers werk 'Hoezeer ook…'
De waaier aan mogelijkheden:
dat het een wandelaar is op weg naar het einde van de wereld, of versuft achtergelaten door de boot.
Dat het de wachter is, dagelijks de gang makend van thuis naar toren.
Dat het gaat om het licht in de toren, de rots in de branding,
of om degene die weg snelt in z’n bootje, hoezeer hij zich ook bewust is van die, daar bij de vuurtoren.
Of de zee, die eindeloze ruimte die schoonheid biedt in aanblik en gevaren herbergt voor het nietige wezen dat zich er doorheen bewegen wil….

Ik denk aan industrieterreinen, landschappen en mediterrane huizen die ik ooit zag en die me deden verlangen naar Paul Dikkers schilderijen.
Zijn vormgeving creëerde ervaringen zo intens dat mijn hersenen ze in zich op hebben genomen als dorstige plantwortels het zachte water van de zomerse bui. Daar verblijven ze. Terwijl ik verderga. Iets zie, ruik, hoor of lees dat me plots doet denken aan die eerdere belevingen.

De ervaringen zijn zó diep in de fissuren van m’n brein verzonken dat ze mijn realiteit verrijken en dan als referentiepunt gaan fungeren, meer dan: iets na te bootsen of weer te geven. In plaats van dat ik een 'Dikker' zie en denk: 'nét de natuur!', zie ik een lucht en denk: 'net een Dikker!'
Dát is toch vormgeving die op een wezenlijk niveau bijdraagt aan de rijkdom van de werkelijkheid?!
Hoog boven de stad zit ik hier en ervaar de paradox: het ziekenhuisbed op de 8ste  verdieping waar ik mij bevind en de weelderige nazomerlucht die ik zie, adem. Drie zwanen spoeden zich van West naar Oost, uit het zicht om nooit weer te keren. Ik zweef ergens bovenin, op weg waarnaar? Een beetje verloren, zeker verstild.

Dit is zo’n moment, alle zintuigen open, dat ik weet wat een wonderlijk geluk het is te leven. 

Jessie Ehlhart is muziektherapeut, ondernemer en coach, tevens bewonderaar en vriendin van Paul Dikker.

zondag 23 september 2012

Beeldpraat 8. André Mannak over AKS 9




Op weg. Op weg naar boven gaat de oude man.
Hij kijkt niet om, hij klemt zich vast aan
zijn stok. Gebogen, maar zeker van zijn pad
gaat hij voort, voorzichtig. Stap voor stap.

Waar gaat hij heen?
Waar is de maan?
Waar zijn de sterren?

De man is alleen.
Er is niemand die hem vergezelt.
Geen hond om mee te spreken,
geen grashalm om te grijpen.

Is het zijn laatste tocht?
Is er een engel die wacht?
Is het erg als hij valt?
Wat geeft hem een schaduw?

Op weg, onder een hemel van amethist,
tussen bergen die flonkeren als
roze en blauwe diamant.
Over een gletsjer die het schaarse licht weerkaatst.

En verder niets!

André Mannak is als adviseur werkzaam in de zorgsector, dit schilderij hangt bij hem thuis.

Beeldpraat 7. Rob den Boer over Zweem


Is het schilderij 'Zweem' van Paul Dikker werkelijkheid of slechts schijn? In het midden loopt een vrouw; zij is donker gekleed en volledig in gedachten verzonken. Haar schaduw lijkt haar de weg te wijzen, schuin tussen de donkere muren, die aan beide zijden het schilderij inkijken. De ommuring links doet bescheiden aan, maar is meermalen hoger dan de vrouw die er langs loopt. De massieve ronding ter rechterzijde toont maar een heel klein stukje van een enorm bouwwerk; het is van kathedraalsomvang. Daartussen lopen lucht en land vrijwel in elkaar over, de horizon vervaagt in een gelaagde mengeling van gele en groene tinten. Slechts de plint van het gebouw rechts zoekt aansluiting bij de kleuren van het licht.

Verder is het leeg tussen de muren. Of vergis ik mij? Wat zou er achter de massieve muur rechts kunnen zijn, waar de vrouw haast als vanzelf naar toeloopt? Misschien keert zij terug naar haar huis, dat zomaar in een hele gewone nieuwbouwwijk zou kunnen staan. De muren zijn relieken uit een ver verleden die hun glorietijd overleefden, doordat zij gebouwd zijn voor de eeuwigheid. De vrouw is er al zo vaak langs gelopen dat zij ze niet eens meer opmerkt. De zorgen van vandaag zijn veel belangrijker dan de toekomst van gekoesterde oudheden. Inmiddels hebben enige struiken zich tegen de linkermuur aan gevleid en zullen er langzaam, maar doordringend bezit van nemen. Totdat de dikke stenen van de muur elkaar niet meer kunnen vasthouden. Dan volgt redding of afbraak.

Alles dat van waarde is krijgt pas erkenning als het verloren dreigt te gaan. Tot zolang loopt de mens nietig tussen de muren door en spiegelt de megalomanie van hun schaal zich in het licht van de zon, die tegelijkertijd hun schoonheid bestraalt. De bolwerken uit het verleden vormen een visuele en inspirerende omlijsting van het leven van vandaag. Een zweem van de werkelijkheid wordt een moment van verstilling.

Rob den Boer is beeldend kunstenaar.

Beeldpraat 6. Wim van den Toorn over Ook in dit afgelegen huis



Is het ochtend, is het avond of nacht? Als het ochtend is kijken we naar het eerste licht dat over de bergen verschijnt. Een heldere dag waarin het groen spoedig zal veranderen in blauw. De vogels beginnen de vochtige stilte te doorbreken met hun eerste kreten: ’benhier, gaap, benhier’. In de verte, de lichten. Ineens zullen ze doven. De mensen in het huis slapen nog maar niet lang meer. Iets heeft ze gisteren doen vergeten de vlag te strijken.

Als het avond is, of nacht, zien we het licht veranderen van blauw naar groen, het nachtlicht van het voorjaar. Donkerder wordt het niet, of toch, misschien nog iets. Morgen is vandaag. De scheiding is tijdelijk opgeheven. De stilte is onherroepelijk, de vogels hebben zich niet laten bedriegen. De verre lichten zijn nu niet nodig, maar ja, automatisch. In het afgelegen huis zijn de mensen naar bed, de vlag, ach, morgen misschien.

Wim van den Toorn is beeldend kunstenaar en woont in Noorwegen.